laatste wijziging: 4 jaar geleden

Kou en slapend in de loop

 

Met het licht van onze hoofdlampjes schijnen we door de mist die op het veld voor ons hangt. De waterdruppels slaan neer op onze jassen, op onze huid. Ik ril, de kou trekt door alle lagen kleding heen. We zijn al 10 uur bezig. De vermoeidheid begint toe te slaan. “Ik val slapend in de loop!” Ik kijk opzij, naar Marit. Wat zei ze nou? “Euhm… andersom dan.” Niemand heeft nog energie om erop de reageren. Zelfs Astrid niet. Haar ogen vallen half dicht. Astrid, die altijd overenthousiast is, zegt nu niks meer! We zijn bijna op de helft van de race, het wordt bijna licht. Het zou ons energie moeten geven, maar het is juist heel demotiverend om te weten dat we nog zolang te gaan hebben. Zwijgend lopen we verder, en verder, en verder…

De gang staat vol met mountainbikes, de grond is bezaait met tassen en kledingstukken. Overal lopen mensen. Overal zitten mensen. Het is hier zo druk! Mijn teamgenoten zijn zich aan het omkleden, dus heb ik mooi de tijd om rond te kijken. Een team aan de andere kant van de gang is al bezig de kaartstukken in elkaar te passen. Die hebben zich blijkbaar al ingetekend! De mensen naast mij zijn hun tassen opnieuw aan het inpakken. Ze hebben een hele berg eten mee. Daar zou ik een week van kunnen eten! “Hoeveel krentenbollen nemen we mee? Oh, en hoeveel bidons? Ik heb er acht”. Ik kijk naar mijn tas, van 22L. Hij zit vooral vol met kleding en de waterzak. Gelukkig pasten er nog wat koekjes en M&M’s bij in. Maar zeker geen zakken brood, snoep en meerdere bidons! Hoe willen ze dan allemaal mee gaan dragen?  Lachend ik kijk weer voor me. Dan zie ik opeens iemand die ik ken, Milou! Ik loop naar haar toe. We omhelzen elkaar. Het voelt zo goed om haar weer te zien! Haar team staat al klaar om te beginnen, en ook mijn teamgenoten komen nu aangelopen.  We kunnen intekenen! Ik heb er zin in!
Even later komen ook de andere TSAC’ers aangelopen. Martin komt naar me toe “Dombo! Doe jij ook mee?” Lachend kijk ik hem aan. “Tuurlijk doe ik mee!!” Pijnlijke hand of geen pijnlijke hand, ik wil gewoon mee racen!

“GO, GO, GO!!” Astrid geeft haar tas af en is er al vandoor. Schiet op, schiet op Ellen! Denk ik bij mezelf. Ook ik geef snel mijn tas aan Eva en ren achter Astrid aan. Twee teamleden rennen, twee moutainbiken; deze etappe moeten we run-bike-runnen. We laten het kasteel achter ons, na heel lang naar een checkpoint gezocht te hebben. Hij bleek onvindbaar. Hebben we het coördinaat verkeerd ingetekend? Hebben we niet goed genoeg gezocht? Dat kan niet, de andere teams zijn nog allemaal aan het zoeken. Niemand heeft hem gevonden. Gelukkig hebben wij al een ander checkpoint gevonden, dus wij kunnen terug naar onze fietsen. “Rennen is heerlijk hè?” Het bos vult zich met lichtjes, een optocht van teams die nog moeten beginnen aan deze etappe. “Ja! Hardlopen is zo fijn! Daar wordt je tenminste weer warm van.” Ik kijk naar de lichtjes. Mensen die voorbij rennen, of fietsen. Kan ik ze herkennen? Nee, het is te donker. Het is niet te zien wie er voorbij komen.

Mijn mountainbike ligt op de grond, we staan bij een wisselpoint,ik heb geen idee hoe laat het is, het is donker, ik eet pepernoten, en ik heb het koud. HEEL ERG KOUD! Eva trekt haar donsjas aan. Had ik ook maar zo’n jas. Maar, dan bedenk ik mij; ik heb er één in mijn tas zitten! Die van Marit! Maar zij heeft hem niet nodig zegt ze. Dikke, DIKKE HULDE, want nu mag ik hem aan! Zo snel als ik kan trek ik de jas aan. Een hemd, thermoshirt, hardloopshirt, fleecevest, donsjas en gore-tex regenjas zouden genoeg bescherming moet bieden te kou.. toch?

FOUT! Even laten zit ik op de fiets. Ik kan me bijna niet bewegen, met zoveel kleren aan. Maar ze helpen niet eens. Het is nog steeds zo stervenskoud. Gelukkig rijden we nu Arnhem binnen, op weg naar het station. Daar aangekomen rijden we de centrale hal in, op onze mountainbike. Mensen kijken ons vreemd aan. Waar staat het fotohokje? “Daar! Daar!” Schreeuwt Astrid. Wij zien hem nu ook, en snel rijden we er naartoe. Ik blijk erg creatieve teamgenoten te hebben. Een foto van je team, dat pakken we natuurlijk wel even origineel aan! Van de landkaarten die we gekregen hebben vouwen we hoedjes van papier. Ook maken een mountainbikewiel los en nemen we die mee het fotohokje in. Dat deze defect blijkt te zijn maakt niet uit, dan strikken we even een treinreiziger om een foto van ons te maken! Wanneer de foto klaar is komt er een ander team het station binnen racen. Nee, nee! Dat is niet goed! We staan aan kop, en dat moet wel zo blijven! Snel pakken we onze spullen bij elkaar en gaan er vandoor. Op naar het park!

“Volgens mij moeten we hier links.” We staan op een kruispunt, in het park. “Maar, we kunnen hier op twee manieren naar links!” Ik schijn met mijn hoofdlamp naar de kant waar we naartoe willen. Ja, inderdaad. Het park zit vol met splitsingen en kruispunten. “We kiezen wel gewoon de rechterkant!” Geen idee of we nu goed rijden. De rest heeft allemaal al eens eerder meegedaan, en weten al hoe een BOTS in elkaar zit. Mijn bijdrage bestaat tot nu toe alleen maar uit toekijken, het voelt ontzettend nutteloos. Op dit moment hebben ze niks aan mij. Maar ik wel heel veel aan hen! Dus onthoudt; Neem nooit een sukkel als Ellen in je team.

Het maanlicht schijnt tussen de takken van de bomen door, mist hangt boven het water. In de verte zien we lichtjes op het water, hoofdlampen die bomen op het eiland verlichten. Voor ons kajakken ook een paar teams, maar ik kan niet zien wie het zijn. “SUPER AWESOME TEAM?” Wordt er naar ons geschreeuwd. “Nee! De wijven uit het oosten!” Diepe zuchten klinken uit de kajak voor ons. “Ja, daar hebben we dus helemaal niks aan. JONGENS, WAAR ZIJN JULLIE?” Je teamleden kwijt zijn in het donker is niet de meest ideale situatie. Gelukkig kunnen die van ons niet ver weg zijn. “WIJVEN!” schreeuwen we naar achteren. “WIJVEN!” krijgen we terug. Handig! Neem altijd een codewoord, voor het geval je elkaar kwijt bent.

Springend lopen we naar de wisselpost. Van het kajakken zijn we niet warmer geworden!
Daar aangekomen zien we een bult liggen, met een aluminium reddingsdeken erover heen. Verbaasd kijken we elkaar aan. Wat-is-dat? De wind waait een stuk van de deken omhoog. Een been en een tas worden zichtbaar. ER ZIT IEMAND ONDER! We hurken ernaast neer. “Hé, gaat het een beetje?” Geen reactie. We vragen het nog een keer. “Jaaa..” Horen we zachtjes. Een meisjesstem. De wind blaast de deken nog meer omhoog. “Gaat alles goed?” We leggen de deken weer zo neer, dat hij haar helemaal bedekt. “Ja. Ik moet alleen even niet bewegen nu. Ik heb het zó koud!” Dan komt er een jongen aangelopen. “Oh, ik denk dat die van ons is! VERA?” schreeuwt hij.  “Ja..” Haar stem klinkt nu nog zachter. De jongen gaat naast haar zitten. Wij lopen weer verder. Oké, niet zeuren dus. Het kan altijd erger! Door het stil staan hebben wij het zelf wel weer kouder gekregen. We laten de jongen bij zijn teamgenoot achter en halen de coördinaten voor de volgende etappe op.

We lopen een loopplank op, en komen op een klein plateau in het water uit. Dikke mistwolken waaien er overheen. Aan weerskanten zijn schepen aangelegd. Het ziet er best griezelig uit. De verlaten schepen, de mist, de maan, de duisternis.. Daarachter zien we een breaklight, het checkpoint! Snel maken we een knipje op ons kaartje. “Oké, weg hier!” Hoor ik achter mij. Blijkbaar ben ik niet de enige die dat vindt. “Lopen, lopen!”Astrid druk in mijn rug. Snel lopen we weer naar de kant. Weg bij de dikke mist, weg bij de harde wind, weg bij die vreselijke kou!

 

Terug bij de wisselpost, komt de zon gelukkig bijna op! We warmen ons met erwtensoep en tekenen de volgende punten in op de kaart. Andere mensen zitten rond de pan, allemaal met een reddingsdeken of slaapzak over zich heen. Achter ons hoor ik ineens een hoop geknetter, er komt een team aangelopen. Hun benen zien er nogal dik en bobbelig uit, wat hebben zij nou gedaan? Haha, ze hebben de reddingsdekens in hun hardloop tight gepropt! Dat is ook een manier om warm te blijven! Tom kom naar ons toegelopen. “Jongens! Ik heb er zin in!” Vol onbegrip kijk ik hem aan. “Wat? Heb je het dan helemaal niet koud?” Vol energie springt hij een paar keer op en neer. “Nee! Helemaal niet! Ik heb er zin in!” Oké, sommige mensen kan ik gewoon even niet begrijpen..

De zon schijnt op de bladeren die in het bos liggen. Oranje, bruin, groen. Het ziet er zo mooi uit! We fietsen verder. Door het zand, over bladeren, over heuveltjes, langs beekjes. Het is zelfs wat warmer, nu de zon schijnt! Die donsjas kan uit, ik kan me weer bewegen. Wat is het gaaf hier! Echt een wereld van verschil met een paar uur geleden. Toen we verkleumd van het kajakken bij onze fietsen stonden. De wind laat de takken boven ons heen en weer zwaaien, oranje bladeren dwarrelen voor ons naar beneden. Het ziet eruit als herfstfoto’s uit een tijdschrift!
 

“Wijven, kom!! We mogen gaan boogschieten!” Eva en ik laten de kaarten liggen, en rennen achter de rest aan. Astrid heeft de pijl en boog vast, en mikt op het ronde bord voor haar. Er staat een hele rij achter haar, allemaal ongeduldig te wachten. BAM, een paar centimeter van de roos af! Je ziet de mannen achter haar verbaasd kijken. “WAT? Dat kan niet!” Hoor ik mensen roepen. Dan mag Marit. Ook zij concentreert zich, schiet, en haar pijl komt vlak naast die van Astrid bij de roos. “NEE!” Hoor ik mannen roepen. Talentjes, in ons team! Over mijn schietpoging zal ik het maar niet hebben..

De weg voor mij draait naar links, naar rechts, en dan weer naar boven. Waarom ben ik zo duizelig? Ik zie mensen voor mij lopen, maar heb geen idee waar we heen gaan. Ik hoor ook niet meer waar ze over praten. Het enige wat ik voel is de kou. Dit voelt verschrikkelijk, ik weet niet meer wat ik doe. Het lukt me niet meer om te praten. Half slapend loop ik achter de anderen aan. Hopelijk zijn we snel weer terug bij een wisselpunt, ik wil zo graag even zitten, even liggen. Oh, of even slapen..

Zeven uur ’s avonds, het sportcentrum komt in zicht. Opgelucht fietsen we het terrein op. We hebben het gehaald! Eenentwintig uur mountainbiken, rennen, lopen, kajakken en coördineren. En we zijn eindelijk weer terug!

Uitgeput zit ik aan een lange tafel, er staat eten voor me, maar ik heb helemaal geen honger. Er komt iemand naast een zitten. “Hé! Hoe gaat het? Hoe vond je het?” Ik heb geen idee wie hij is. “Ja, super! Ik vond het echt geweldig!” Zou hij van de TSAC zijn? “Tof!” Volgens mij hoort hij bij de weizen uit het oosten, maar ik weet het niet zeker. “Je was ook mee naar Bleau toch?” Dat weet hij! Dan hoort hij dus wel bij de TSAC, en bij dat team! “Ja klopt! Ik was ook mee naar Bleau!” Dan heeft hij zich waarschijnlijk ook al voorgesteld tijdens de race. Helaas ben ik dan al weer helemaal vergeten.. “Daar was je ook gevallen toch? Hoe is het nu met je hand?” WAT? Waarom weet hij zoveel over mij? En ik niks over hem. Nu durf ik helemaal niet meer te vragen hoe hij heet! Oké Ellen. Dit is echt niet handig.. Onthoudt altijd de naam van iemand, als hij zich voorstelt. Achteraf bleek het Mike te zijn! (Sorry Mike!)

Eindelijk, we kunnen gaan slapen! Hier heb ik zo lang naar uitgekeken! Ik laat me vallen op het matje, doe m’n ogen dicht, en val meteen in slaap… In mijn droom fiets ik door het bos, ren ik door de modder en zoek ik coördinaten op de kaart. Nagenieten, uitrusten en bijslapen. Wauw, wat vond ik de BOTS gaaf!!